Het publiek praat terug. Maar waar zijn de wetenschappers?

16/03/2012

Donderdag 15 maart werd onofficieel uitgeroepen tot eerste rokjesdag van 2012 (of toch niet). Het mooie weer kon de deelnemers aan de bijeenkomst van de Vereniging van Wetenschapsjournalisten/ het Platform Wetenschapscommunicatie in het Trippenhuis van de KNAW niet deren. Met meer dan 100 aanmeldingen overtrof de inschrijving de verwachting van de organisatie.
Ik was zo dapper om me op te werpen om van mijn eerste VWN-bijeenkomst een verslagje/blog te schrijven. Al werkende hieraan werd ik echter gescoopt door Harm Ikink met een Storify-verslag, dus daar verwijs ik graag naar voor alle tweets tijdens de bijeenkomst en details over de goede sprekers (http://storify.com/harmikink/help-het-publiek-praat-terug). Dat journalisten en voorlichters graag twitteren, was duidelijk. Rond 4 uur werd de hashtag #vwnpwc trending topic in Nederland. Veroorzaakt door slechts 90 mensen.
Maar er is meer dan het verslag van de dag. Een terugkerend thema was dat wetenschappers veel meer social media moeten gaan gebruiken. Maar willen ze dat zelf eigenlijk wel? Wetenschappers doen zelden mee aan discussies op internet, hoe krijgen we ze zover? Gabby Zegers van FOM vertelde hoe zij álle wetenschappers verplicht aan het twitteren wilden hebben. Natuurlijk deed niet iedereen mee, maar het doel om met een knipoog te wijzen op de taak van kennisoverdracht was daar wel degelijk mee gehaald.
Wat ik persoonlijk miste in het debat waren de wetenschappers zelf. Een dik half jaar geleden stond ik zélf nog in het lab, en ik zou niet veel enthousiasme geoogd hebben met een poging de hele vakgroep aan het twitteren te krijgen. Maar blijbaar ben ik niet de enige die de bijdrage en de mening van de wetenschappers zou waarderen. Na afloop zingt de discussie via twitter nog uren (en zelfs de volgende dag) door. De teneur: wetenschappers zijn in de 21e eeuw ook kennisproducenten en hadden er dus bij moeten zijn. Dit wordt als een idee geopperd voor bijvoorbeeld een debat bij bessensap (#bsap12), dat met enthousiasme ontvangen wordt.
Ook werd er in het nagesprek gepleit voor een afschaffing van het verschil wetenschapsvoorlichter (wetvo)/ journalist (wetjo). Volgens sommingen is dit verschil achterhaald en kunnen we ons beter allemaal “science communicators (scicom)”noemen. Ik kan dat zelf alleen maar beamen. Ik ben zowél voorlichter als journalist, en het zijn inderdaad soms uitwisselbare rollen. Voordeel van de nieuwe definitie is dat zowel de leek als de wetenschapper zélf “scicom” kunnen zijn.
Toeval wil dat ik een dag later bij de installatie van de 10 nieuwe leden van De Jonge Akademie ben, waar het Advies Wetenschapscommunicatie aan de KNAW wordt aangeboden (PDF via http://www.dejongeakademie.nl/Pages/DJA/32/996.bGFuZz1OTA.html). Om een lang verhaal kort te maken: de wetenschappers signaleren precies dezelfde problemen als wij. Ook zij zien een enorme kloof tussen blogs en traditionele media, en willen dat de wetenschappers zich beter mengen in het debat. De nieuwe lichting presenteert een plan “Kennis op Straat” waarin ze het land in willen met toegankelijke lezingen én debatten, dus de discussie willen aangaan met het publiek. Precies wat de dag ervoor de wetjo’s/wetvo’s nog voorstelden.
Mijn voorstel om dan maar samen iets te organiseren wordt dan ook goed ontvangen. Bij de borrel spreekt Maarten Kleinhans, scheidend bestuurslid van De Jonge Akademie me aan, dat hij (en anderen van De Jonge Akademie) hier héél graag aan willen meewerken. Hierbij dus een voorstel voor een volgende bijeenkomst van VWN, PWC én De Jonge Akademie. Wie wil organiseren?
Wordt vervolgd dus, hopelijk met een debat inclusief álle betrokkenen. Want dat het publiek terugpraat is duidelijk, maar moeten de wetenschappers niet ook meepraten? En hoe dan? Daar moeten we samen uitkomen.
Eva Teuling

Tags:

4 Comments

  1. roymeijer says:

    Ik word erg enthousiast van dit soort geluiden, en voeg graag mijn paar centen/stokpaardjes toe hier. Nog even zonder het advies van DJA te hebben gelezen, dat wil ik even apart doen.

    Bessensap 2012
    De eerstvolgende gelegenheid waar wetenschappers, wetenschapsjournalisten en wetenschapsvoorlichters elkaar ontmoeten is inderdaad Bessensap 2012 op 4 juni 2012. (www.nwo.nl/bessensap). In een zijtak van de #vwnpwc-timeline is @MargotCusters (https://twitter.com/#!/MargotCusters) van NWO al voorzichtig enthousiast over zo’n samenkomsessie; met deze blog in de hand lijkt me er meer dan genoeg basis te zijn om concreet een aparte sessie/workshop/zijbijeenkomst te gaan organiseren op 4 juni. Ik doe mee, alvast op persoonlijke titel, en durf – vooruitlopend op ruggespraak nog met de collegabestuurders – ook een meer formele PWC-afvaardiging te beloven aldaar.

    Vereniging wetenschapscommunicatie?
    Wat mij betreft zou een van de agendapunten kunnen zijn de vraag of we de nu vrijgekomen energie kunnen bundelen via een nieuw op te richten vereniging wetenschapscommunicatie. Breed opgezet, open voor iedereen die iets met wetenschapscommunicatie heeft.

    Ketenbenadering van de wetenschapscommunicatie
    Doel/strategie/missie/werkplan van zo’n vereniging wil ik er ook meteen wel bijgooien. Zou het niet mooi zijn als allerlei activiteiten op het gebied van wetenschapscommunicatie meer op elkaar zouden aansluiten: dat wat je hoort op de middelbare school over wetenschap (niet alleen studiekeuze) aansluit bij wat je al had meegekregen op de basisschool, waar de basis is gelegd voor je begrip van het wetenschappelijk proces (omdat de juf op de PABO heeft geleerd hoe ze dat moet overbrengen). En dat daarna de losse activiteiten als festivals, lezingen, tv-programma’s, nieuwsrubrieken, science centra, etc. iets minder los van elkaar staan en elkaar versterken. Het idee en de uitwerking van zo’n ketenbenadering zit al concreter in de hoofden van verschillende collega’s, die zeker bij zo’n bijeenkomst aanwezig zouden moeten zijn.
    Binnen een vereniging met leden met allerlei achtergronden kun je – roze bril – niet alleen verder nadenken over zo’n ketenbenadering – wat zouden we kunnen/moeten doen en hoe sluit dat op elkaar aan -, maar er ook meteen concreet vorm aan gaan geven. Spijkers met koppen.

    LinkedIn-groep PWC- Platform Wetenschapscommunicatie
    Binnen de LinkedIn-groep PWC -Platform Wetenschapscommunicatie zitten nu al zo’n 550 mensen met deze verschillende achtergronden. Deze groep zou een mooie voorloper kunnen zijn, en in ieder geval een plek waar tot 4 juni meer centraal ideeën kunnen worden uitgewisseld. Ik heb daar overigens vorige week al een discussie opgestart over zo’n ‘branche’vereniging.
    http://www.linkedin.com/groups?about=&gid=78214&trk=anet_ug_grppro

    Conjunction
    Het lijken zowaar spannende tijden in de wetenschapscommunicatie. Als ik astroloog zou zijn, zou ik direct een verband kunnen leggen tussen de stand van de planeten en dit gevoel van ‘samenkomen’. Het fenomeen ‘conjunction’ is momenteel blijkbaar ontzettend morfisch resonant… 😉

    Seriously, het lijkt me wel heel erg gaaf als we de buzz van de laatste paar dagen concreet handen en voeten kunnen geven, op wat voor manier dan ook.
    Tot 4 juni!

    Roy Meijer, bestuurslid Platform Wetenschapscommunicatie, coördinator Wetenschapper 2.0 en adviseur wetenschapscommunicatie TU Delft

  2. Als je de wetenschappers wil betrekken, moet je dat niet doen vanuit een vereniging van wetenschapsjournalisten denk ik; tenminste dat voelt niet als ‘mijn’ club. Wellicht social media zelf inzetten om de kracht ervan te verspreiden, of voorbeelden uit de USA laten zien, waar sommigen al veel verder zijn om hun citatie-index zo omhoog te krijgen. Er zijn maar een beperkt aantal wetenschappers, helaas, die outreach naar het grote publiek belangrijk vinden. Hoe krijg je die actief?

  3. MicroBioWil says:

    Sociale media en wetenschappers, het is niet 1+1=2 of 3. Wat is van oudsher het podium van de wetenschapper? Sowieso niet het brede publiek! Wetenschappers schreven tot aan de Tweede Wereldoorlog vooral boeken en monografieën in elitaire tijdschriften. Dat was handig, want zo wisten de wetenschappers elkaar te bereiken.
    Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er geldstromen waarmee de wetenschap gestimuleerd werd. Er ontstond vooral veel meer wetenschap en daarmee statistisch ook vaker uitschieters naar boven; in termen van kwaliteit. Deze wetenschap werd alom gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Hoe dat moest kregen de Jonge Wetenschappers uitgebreid geleerd tijdens hun Meester-Gezel opleiding die academische promotie heet(te).
    Omdat het allemaal nogal populair werd en vanaf de jaren 1980 de geldnood toenam moest geselecteerd worden op kwaliteit. Om dat ‘eerlijk’ toe te wijzen werden allerlei maten in het leven geroepen als Citation-indices . Zodra een dergelijke maat niet meer de uitkomst genereerd die wenselijk is voor de personen die het geld mogen verdelen wordt een nieuwe maat in het leven geroepen zoals de Hirsch-index. Mocht dat ook niet meer baten, dan kijken we naar nog vagere maten als ‘Indicators of Esteem’ en tenslotte keren we terug naar de persoonlijke smaak van de toevallige “wetenschaps-landheer” die boven aan de ladder van wetenschappers-lijfeigenen staat.

    Zolang “Twitteren” niet tot een maat behoort die de landheer gebruikt om het geld te verdelen onder de wetenschappers heeft de wetenschapper geen belang bij Twitteren.
    Maar er is hoop!
    Wetenschappers kunnen vrijwel alles om het de landheer/geldverdeler naar de zin te maken. Dus wanneer Twitteren de maat wordt, zal er uitgebreid getwittert gaan worden. Vervolgens kunnen weer allerlei secundaire maten worden afgeleid als: het aantal tweets, het aantal malen dat een wetenschapper geretweet wordt, het aantal followers of het aantal followers gedeeld door het aantal gefollowden vermenigvuldigd met het aantal retweets en dat geheel weer gedeeld door het aantal jaren waarop het betreffende tweet-account actief is.

    What’s new?

  4. Harm says:

    De afschaffing van het verschil tussen wetenschapsvoorlichter (wetvo) en -journalist (wetjo) lijkt mij geen goede zaak. De overeenkomst is inderdaad dat ze beide wetenschap communiceren, maar het verschil zit ‘m de positie die ze in dat communicatiespectrum innemen. De journalist is onafhankelijk en kritisch, de voorlichter heeft belangen die het risico inhouden dat de (resultaten van) wetenschap door een wat al te roze bril worden bekeken. Ik denk daarom niet dat de rollen uitwisselbaar zijn, zoals je schrijft. Ik weet natuurlijk dat allerlei freelancende schrijvers over wetenschap zich de ene keer door een krant en de andere keer door een communicatie-afdeling laten inhuren. Maar ik waag te betwijfelen of die nog wel echt kritisch onafhankelijk (kunnen) zijn.

Leave a Comment